Geschiedschrijving is een ambacht

Inleidend referaat ‘Kerk en theologie in een links gewest’, 28/9/2012






Auteur overhandigt eerste exemplaar aan prof. dr. Gerrit Immink, rector van de PThU

(Fotograaf Harry Perton)

‘Heimwee naar de donderpreek’, zo luidde 18 september jongstleden de titel van een artikel van Gerrit-Jan Kleinjan in Trouw naar aanleiding van het huidige niveau van preken in de PKN. De theologen Ciska Stark en Bert de Leede hebben in opdracht van de PThU onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het kroonjuweel van de Reformatie: de zondagse preek. Hun oordeel luidt: matig. Volgens de onderzoekers worstelen veel predikanten met de kanselrede en is er sprake van kerkelijk cultuurpessimisme. Vaak is de toon defensief en niet uitdagend. De PKN heeft zich ten doel gesteld het preekniveau in de kerk te verbeteren. Want menig kerkganger vraagt zich naar verluidt regelmatig af: ‘Is dit nu relevant?’

Daags na het verschijnen van ‘Heimwee naar de donderpreek’ verscheen in Trouw een artikel van dezelfde journalist met als titel ‘De een kan preken, de ander niet.’ Met als ondertitel: ‘Gerrit Immink schrikt niet van onderzoek waaruit blijkt dat dominees inhoudelijk tekortschieten.’ Volgens de rector van de PThU hoeft de predikanten-opleiding niet op de schop en ontwikkel je het echte werk gaandeweg in de praktijk.

Naar aanleiding van deze artikelen reageerden afgelopen week veel lezers op de internetsite van Trouw. Drie ingezonden brieven vielen mij op. De eerste was van een schrijver die zich bediende van de naam ‘aureool’. Deze ‘ring van licht’ schreef:

‘Het is al de nodige tijd geleden. De kerk waar mijn ouders lid van waren benoemde na veel wikken en wegen een dominee. Beste man, aardig en zeer goed op het sociale vlak. Echter, zijn preken waren op zijn zachtst gezegd niet erg inspirerend. Niet slecht maar zeker geen kaskrakers. De goede man is verder nooit beroepen. Bleef zo'n 30 jaar tot zijn emeritaat aan toe dominee bij dezelfde kerk. Frustrerend voor hem en iedereen.’

De heer of mevrouw De Groot schreef:

‘Preken is als het goed is het kwadraat van spreken. Een spreker brengt een aardse boodschap met een grapje of niet, een prediker brengt een hemelse boodschap met charisma, melodrama en passie. Een genot om naar te luisteren/kijken, ook als je het niet met het verhaal eens bent. Een begenadigd prediker kan hele volksstammen op de been brengen of een beweging starten. Dat zal in media-loze tijden nog wel erger zijn geweest. Veel mensen vinden het heerlijk om op sleeptouw te worden genomen.’

De derde brief ten slotte kwam van een schrijver die ondertekende met een punt:

‘Het probleem zit niet in 't preken. Het werkelijke probleem zit in het hart van de kerk. De kerk wil iedereen te vriend houden. Dat gaat niet. De kerk spant het paard achter de wagen. Je zult als kerk toch moeten verklaren waarom je op de dag van vandaag nog redenen meent te hebben om te blijven voortbestaan. Kardinaal Wim Eijk houdt zich voornamelijk bezig met de financiën, die moeten worden aangepast aan zijn leeglopende kerk. De PKN zit met hetzelfde probleem, maar de omringende wereld net zo.’

De Prediker had gelijk: ‘Er is niets nieuws onder de zon’. Sla Wumkes’ boek De Gereformeerde Kerk in de Ommelanden tusschen Eems en Louwers (1595-1796) er maar eens op na. Ten tijde van de Republiek waren bestuurders voortdurend bezig zowel de kennis van de herders als ook de betrokkenheid (lees: volgzaamheid) van het kerkvolk in goede banen te leiden. Met name de concurrentie van ongeschoolde oefenaars was menig classisbestuurder een doorn in het oog. ‘Maar’, zo concludeert Wumkes op pagina 131, ‘het volk hoorde liever het gebolsterd woord van een befaamd oefenaar dan de slappe zedepreek der rationalistische predikanten, wier aantal steeds toenam’.

De ingezonden brieven op de internetsite van Trouw bevatten ingrediënten die ook een essentieel bestanddeel vormen van het boek Harde grond waarin de kerkelijke ontwikkelingen van het begin van het Koninkrijk der Nederlanden tot het einde van de Tweede Wereldoorlog worden beschreven. Ook daarin gaat het namelijk over begenadigde en minder inspirerende predikanten. Over het in beweging brengen van de massa of juist het tegenovergestelde: het veroorzaken van toenemende desinteresse en apathie. En ten slotte: de reden van bestaan van de kerkelijke gemeente, het maken van duidelijke keuzes en het wel of niet ‘iedereen’ of juist bepaalde groeperingen - zoals de machtige boerenstand - te vriend willen houden.

Op het platteland in Groningen leidden in de loop van de negentiende eeuw de verschillende sociaaleconomische posities van de broeders en zusters zowel binnen als buiten de kerkelijke gemeente tot steeds grotere controverses. Lange tijd had het gros van het gewone (lees: rechtzinnige) kerkvolk aangenomen dat letterlijk alles en dus ook de onderlinge sociale en sociaaleconomische verhoudingen werden bepaald door Gods bestemming. Daartegen kon niets worden ingebracht, de rangschikking kwam immers letterlijk van Hogerhand. Er zat niets anders op dan het lot te dragen. Zo was de plaats van de armen altijd achter de rijken, ook in de kerk. Kortom: iedere dorpeling kende zijn plaats en wist tot hoever hij kon gaan.

Tegelijkertijd was er sprake van het merkwaardige verschijnsel dat de mensen die in de herenbanken zaten schijnbaar gelaten de passages uit de Bijbel aanhoorden die de ‘rijkaards’ waarschuwden voor het lot dat hen in het hiernamaals zou wachten. Het is echter de vraag of deze welgestelden zich in die tijd daadwerkelijk hebben geïdentificeerd met de ‘rijke dwaas’ uit de gelijknamige gelijkenis of die van de ‘de rijke man en de arme lazarus’ wier wereldse rijkdommen hen uiteindelijk (na hun dood) niets brachten.

Waarschijnlijker is het dat de andere kant – de onderliggende partij, de armen – wel degelijk troost én hoop putte uit de boodschap van dergelijke gelijkenissen en andere teksten uit het Nieuwe Testament. Weliswaar niet nu, in dit aardse leven, maar toch zeker straks, in het Koninkrijk der Hemelen, zou het hun goed gaan. En dat zou hoogstwaarschijnlijk niet gelden voor het gros van hun kapitaalkrachtige gemeenteleden. Want toen ‘een rijke jongeling’ had gevraagd hoe hij het eeuwige leven kon verkrijgen en vervolgens bedroefd was weggelopen omdat hij geen afstand kon doen van zijn vele eigendommen, had Jezus zijn discipelen geantwoord: ‘Het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het koninkrijk Gods binnengaat.’

In 1922 publiceerde ds. Nicolaas Lofvers jr. in het Nieuw Evangelisch Tijdschrift - orgaan van de evangelisch-hervormde richting binnen de Nederlandse Hervormde Kerk - het liefst 48 pagina’s tellende artikel ‘Enkele opmerkingen over den aard en de vroomheid van den Noord-Groninger’. De hervormde predikant van Warffum meende dat deze Groninger in vergelijking met de Fries een veel hogere mate van ‘geldzucht’ had. Ook elders in Nederland bestond volgens Lofvers een grote hang naar geld, toch stelde hij: ‘Al mijn collega’s uit het Noorden zullen met mij eens zijn, dat heel wat zielen hier meer hellen naar Mammon dan naar God’. In het verleden zou volgens hem een collega een beroeping naar ‘een der vette plaatsen’ in het noorden hebben afgewezen, omdat hij ‘zijn ziel niet wilde opbergen in een brandkast’.

De predikant schetste al met al een weinig vrolijk makend beeld van de mensen in zijn directe woon-werkomgeving. Gelukkig waren er in zijn nabijheid ook nog mensen - ‘eerlijke, eenvoudige, innige vrome zielen’ - die niet knielden voor de geldgod. Lofvers stond naar eigen zeggen niet afkerig tegenover zijn gereformeerde streekgenoten. In hun geloofsbeleving herkende hij evangelische zienswijzen die hij zelf ook onderschreef. De gereformeerde tijdgenoten van Lofvers dachten en handelden inmiddels ook niet meer volledig in de lijn van hun na 1834 afgescheiden voorvaderen. Die hadden nog voortdurend in natuurrampen en andere rampspoed, zoals epidemische ziekten onder mens en dier en misoogsten, Gods hand ontwaard. Die hadden nog de noodzaak van hard werken benadrukt en alle weelde, opsmuk en schone sier bewust vermeden. In de ogen van de eerste generatie afgescheidenen diende een oprecht christen sober en spaarzaam door het leven te gaan. Wanneer deze gelovige er een al te uitbundige manier van leven op nahield en te veel van de aardse geneugten des levens genoot, werden namelijk Gods geboden overtreden. Voor de onderlinge gezagsverhoudingen binnen de afgescheiden geloofsgemeenschappen had dit ook consequenties. Zo gaf Gods Woord ook heldere antwoorden op vragen met betrekking tot bezit, status en solidariteit.

In de loop der tijd ontstonden in de gereformeerde gelederen echter dezelfde politiek-maatschappelijke machtsverhoudingen en tegenstellingen als die van oudsher al in de hervormde ‘volkskerk’ bestonden. Niet voor niets leidde Pieter Keunings boek Kinderen in verstand en in boosheid, dat een paar jaar voor Lofvers’ beschouwende artikel verscheen, tot grote commotie bij de ‘dikke’ antirevolutionaire boeren van Spijk.

Wat Lofvers naar eigen zeggen verontrustte was de uit het materialisme voortkomende anti-geestelijke stroming. De Warfummer predikant zag in de polders ‘de reuzenboerderijen’, die de enorme rijkdom van de boeren uitstraalden en het deed hem pijn te moeten ervaren dat veel van die rijken geestelijk arm waren. ‘Het is de algemeene klaagtoon van de collega’s uit mijn buurt’, zo schreef hij, ‘dat de rijke boerenstand zich al heel weinig interesseert voor de dingen van Gods koninkrijk’. Ook deze predikant haalde de gelijkenis aan van de ‘rijke dwaas’, wiens wereldse rijkdom hem uiteindelijk niets bracht. Zo zou het volgens Jezus eenieder vergaan die schatten op aarde vergaart ‘en niet rijk is in God’. Over de ‘tegenpartij’ - de landarbeiders - velde Lofvers overigens geen milder oordeel. Lange tijd waren de omstandigheden waaronder die leefden verre van ideaal, maar op den duur hadden ze loonsverhogingen weten af te dwingen. Dat was geen gunstige ontwikkeling, want ‘de loonquaestie werd bij velen de ééne vraag, die alle andere levensvragen, ook die der ziel, overstemde.’

Volgens Lofvers bevonden de bewoners van het Wad zich - de predikant zette mooie metaforen op papier - in een periode van ‘een geestelijke eb’. Negentig jaar later lijkt het waterpeil wat dat betreft hetzelfde niveau te hebben bereikt. Niets nieuws onder de zon, dezelfde twijfels, dezelfde vragen en eenzelfde soort zoektocht naar oplossingen en verbeteringen.

Zoals de titel Harde grond al aangeeft: het waren niet zelden moeizame omstandigheden waarin de verkondigers van de Blijde Boodschap in de negentiende en twintigste eeuw het geloof onder de Groningers moesten zien te verkondigen. Weliswaar was het leven niet zo jachtig als tegenwoordig en in de meeste plattelandsgemeenten zal de werkdruk zeker dragelijk zijn geweest; predikanten namen wel een aparte, bij tijd en wijle uiterst kwetsbare positie in binnen de dorpsgemeenschap. In de ogen van veel arbeiders verdiende ‘doomnie’ wel erg gemakkelijk de kost. In een omgeving waar harde lichamelijke arbeid de dagelijkse praktijk was, hield hij zich bezig met lezen, schrijven, huisbezoeken en - vanzelfsprekend - met preken.

De herenboeren hadden met de wijze waarop de predikant zijn geld verdiende wellicht wat minder moeite - de meesten van hen verdienden immers hun brood ook niet letterlijk in het ‘zweet des aanschijns’-, maar zij wensten niet al te nadrukkelijk door de geestelijk leider op hun plichten als christen te worden gewezen. De dominee moest voortdurend laveren om niet met een van beide partijen in aanvaring te komen. Soms, bijvoorbeeld wanneer in de ogen van een van de partijen de predikant zijn boekje te buiten ging door zich al te duidelijk te bemoeien met de plaatselijke machtsverhoudingen, kwam deze moeilijke positie aan het licht. In Finsterwolde werd de hervormde predikant Diddo Niermeijer er door de arbeiders openlijk van beschuldigd één kliek te vormen met de Finsterwolder leden van ’t Nut, oftewel de plaatselijke elite van notabelen en herenboeren. Voor hen behoorde de dominee duidelijk tot het verkeerde kamp. (En dan te bedenken dat de nieuwe Groninger vestiging van de PThU uitgerekend wordt gehuisvest in een voormalig pand van de Nutsspaarbank….)

Heimwee naar de donderpreek? Welnee, het overgrote deel van de christenen staat in deze onzekere tijden echt niet op hel en verdoemenis te wachten. Wel heeft het gros een hartstochtelijk verlangen naar warmte, troost en saamhorigheid. Op dat punt zullen de kerken - zowel de PKN als alle andere gevestigde kerkgenootschappen - zich moeten beraden over hoe nu verder. Niet om zoals vroeger hele volksstammen op de been te brengen, maar om de vaak kleine groep gelovigen die nog wel zondags naar de dienst wil komen aan zich te blijven binden.

 

En vroeger was het echt niet beter. In Harde grond heb ik gepoogd zowel de materiële als de immateriële aspecten van het kerkelijk leven te belichten. Aan de hand van veel cijfermateriaal - waarin de gehele provincie in kaart is gebracht - en enige casestudy’s is gepoogd een zo representatief mogelijk beeld te schetsen. De lotgevallen van alle betrokkenen, zowel zij die binnen als zij die buiten het verband van de lange tijd dominante NHK opereerden, passeren erin de revue. Zo is er aandacht voor provinciale en plaatselijke kerkbestuurders; collatoren en kerkvoogden; predikanten en kosters; lidmaten en doopleden; voorgangers en evangelisten; diakenen en bedeelden en voor rijke boeren en arme landarbeiders - een koppel dat – gelukkig! – niet altijd synoniem stond voor rijke dwazen en arme Lazarussen.

In boeken komen oude en nieuwe woonomgevingen soms heel dicht bij elkaar te liggen. In het eerste nummer van 2011 van Stad & Lande recenseerde ik het dagboek van Frederike van Uildriks, een Groningse die rond 1900 aan de Lochemse Nieuweweg woonde.

Een Groningse dame aan de Lochemse Nieuweweg


De liefde en de vrijheid, natuurlijk! Het dagboek (1877-1910) van Frederike van Uildriks. Bezorgd, ingeleid en geannoteerd door Mineke Bosch (Hilversum 2010) ISBN 9789087041786, prijs € 36,-.

Bijna dagelijks fiets ik over de Nieuweweg. In dit deel van Lochem vestigden zich vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw steeds meer welgestelden; een bonte mengeling van oud en nieuw geld en lieden die een vermogen hadden opgebouwd in Indië. De omgeving was er ook toen al bijzonder mooi, bovendien was het voormalige vestingstadje sinds 1865 per spoor bereikbaar en kende het tal van moderne voorzieningen, zoals een schouwburg en een ziekenhuis. Bovendien - niet onbelangrijk - was dienstpersoneel er nog betaalbaar en gedienstig. Het huis waar Frederike van Uildriks zich in 1896 met haar levensgezel Vitus Bruinsma vestigde, staat er nog altijd. Het paar, dat ‘buiten de echt’ samenwoonde – zij hokten dus -, betaalde er toentertijd 4500 gulden voor. Op Hemelvaartsdag 1900 doopten zij het Labor Vincit.

Frederike liet, mogen wij de achterflaptekst van het boek geloven, een indringend egodocument na. Haar dagboek ‘biedt een intiem inkijkje in de wording van een zelfbewuste jonge vrouw, maar werpt ook een persoonlijk licht op grote negentiende-eeuwse veranderingen in de sociale en politieke verhoudingen, en op de samenhang tussen verschijnselen als feminisme, socialisme en vrijdenkerij, de liefde en biologisch reveil’. De dagboekaantekeningen die meer dan dertig jaar beslaan, zijn ruwweg in drie tijdvakken op te delen: een stad-Groningse, een Gorredijkse en een Lochemse.

Het dagboek is voortreffelijk ingeleid en is zeer nauwkeurig van verklarende noten voorzien. Mineke Bosch verdient daarvoor een groot compliment. De bijzondere waarde van het dagboek van de uit de Groningse elite afkomstige Van Uildriks zie ik echter niet. Althans niet waar het gaat om haar denken over de sociaal-maatschappelijke veranderingen. In haar Groningse periode komen we telkens dezelfde namen tegen. Naast die van Jacques Oppenheim, op wie ze smoorverliefd was, ook die van de hervormde dominee C.J. Mosselmans (die in 1878 medeoprichter was van de Remonstrantse Gemeente) en diens vrouw. Ook andere standgenoten - met namen als Modderman, Trip, Quintus en Lohman - passeren de revue. Ik heb niet veel, eigenlijk geen beschrijvingen van de veranderende sociale verhoudingen buiten Frederikes eigen kleine kringetje kunnen ontdekken. Er werd in ieder geval heel wat thee en koffie gedronken en gewandeld. Nadat zij tijdens een visite bij de familie Van Royen, ze is dan bijna 25 jaar oud, hoort dat Oppenheim een vrouw heeft gevonden, kunnen we voor het eerst iets van emoties ontwaren. Pas twee maanden later kan ze haar hartenleed op papier zetten, Oppenheims aanstaande is volgens haar ‘heel leelijk’. (p. 141)

Jaren later krijgt Frederike een relatie met de getrouwde natuurkundige Bruinsma, die oprichter was van de Volkspartij en onder meer strijder voor algemeen kiesrecht. Na een korte carrière in het onderwijs ging ze zich vanaf 1891 toeleggen op het vertalen van boeken en het schrijven van columns en recensies. Ze hadden een goed leven samen. Als er thuis niet voor ze gekookt werd, dan aten zij buitenshuis. Zij nam geregeld - ook ’s winters - een duik in de Berkel en er werd wat afgewandeld en gefietst. De lichamelijke ongemakken voor lief nemend – met name Vitus’ gezondheid werd steeds slechter –, de twee leefden in Lochem als God in Frankrijk. Het echtpaar kon naar verluidt wel begaan zijn met de minderbedeelde medemens, bij tijd en wijle botsten ze met het dienstpersoneel. Voor deze bedienden gold duidelijk niet dat ‘arbeid verovert’. Frederike – naar eigen zeggen streefde zij naar eenvoud - liet als het erop aankwam duidelijk merken tot een andere klasse te behoren. Eind april 1906 namen ze afscheid van een dienstmeisje ‘dat ook nog van 9-12 en van 2-4 naar school moest’. De kleine was dus nog geen twaalf jaar oud. ‘Vrouw Kok, Mientje’ kwam nu dagelijks van 8 tot 11 voor twee gulden in de week. ‘Ze is nu (8 mei) een goede week bezig en ik heb er wel moed op; boerenmensch 52 jaar, wat onbeleerd, maar gewillig. Ik had deze gepasseerde week steeds “les te geven”, maar het wordt nu al makkelijker.’ (p. 377)